Sweelinck vocaal: een monument
Nederland is een monument rijker. Niet in steen, maar in muziek. Onlangs sloot Harry van der Kamp de reeks opnamen van de vocale werken van J.P. Sweelinck (1562-1621). Met deze opnamen wordt voor het eerst Nederlands grootste componist geëerd met het vocale oeuvre van deze grote Nederlandse componist.
Door Lútsen Kooistra.
Niet eerder werden alle vocale werken van Sweelinck - de kerkelijke en wereldlijke - in één reeks opgenomen. Dat feit heeft op zichzelf al monumentale betekenis, in muziek-historisch opzicht. De wijze waarop Van der Kamp de muziek van Sweelinck tot klinken brengt, is een tweede reden voor de titel ‘monument’.
De serie opnamen, die vorige week aan koningin Beatrix werd aangeboden, is uitgevoerd door de bas Van der Kamp en zijn Gesualdo Consort Amsterdam; vocalisten en instrumentalisten, met bijdragen van organist Bernard Winsemius. Het project bestaat uit drie delen, met in totaal zes boeken en zeventien cd’s. Twee delen beslaan de geestelijke vocale werken van Sweelinck (psalmen en heilige gezangen) en een de wereldlijke werken.
In menig opzicht is het project een unicum. Bijvoorbeeld omdat het een volledig beeld geeft van het absolute meesterschap van Sweelinck, inclusief de ontwikkelingen die hij daarin doormaakt. Een voorbeeld van dat laatste: er is een opmerkelijk verschil in de aard van de de composities van de psalmen en die van de gewijde gezangen. De eerste zijn vrijwel stuk voor stuk proeven van polyfonie. Dat is muziek waarin de zelfstandigheid van de stemmen ver is doorgevoerd. Sweelinck is hierin een absolute meester; in zekere zin de laatste Nederlandse polyfonische componist. In de heilige gezangen daarentegen betoont Sweelinck zich een kundig beoefenaar van het contrapunt.
Franse teksten
Opvallend bij de vocale werken is dat Sweelinck geen Nederlandse teksten gebruikt als basis voor zijn koorwerken, maar met name Franse, Italiaanse en Latijnse teksten. Dat heeft enerzijds te maken met de niet optimale Nederlandse vertaling van de psalmen die beschikbaar was (d’Atheen) maar ook met het publiek waarvoor Sweelinck schreef: de culturele elite in Amsterdam, die Franstalig was. Hiermee wordt ook zijdelings iets gezegd over de uitvoeringspraktijk van de vocale geestelijke werken: niet in de kerk.
Over de kerk in het leven van Sweelinck valt ook het een en ander te zeggen. Was hij katholiek, protestant, of allebei achtereenvolgens? Enerzijds zijn de bewerkingen van de psalmen een typisch gereformeerde bezigheid. Maar de Heilige Gezangen zijn vooral katholiek. Enkele van Sweelincks kinderen zijn gereformeerd gedoopt, maar anderen wellicht wel gedoopt, maar niet in de gereformeerde kerk, de Oude Kerk. Wellicht was Sweelinck lid van de zogeheten wijde kerk, een instituut dat kort na de alteratie van Amsterdam (van rooms-katholiek naar gereformeerd) ruimte bood aan gelovigen die geen lid van de kerk werden, geen belijdenis deden en over wie geen tucht kon worden uitgeoefend, maar die wel hun kinderen lieten dopen.
De kerkelijke overtuiging van Sweelinck, wiens tweede vrouw rooms-katholiek was, was waarschijnlijk breed, zoals van velen in de periode kort na de reformatie. Voor de muzikale erfenis is die breedte niet ernstig, integendeel.
Verscheidenheid
De onderlinge verscheidenheid van de vier boeken waarin de psalmen verschenen, is in zeker opzicht groot. Er zijn composities voor enkele stemmen, tot en met achtstemmige zettingen, waaronder die voor Psalm 150 (boek 3). Deze compositie is een schoolvoorbeeld van de techniek, de verbeelding en de genialiteit van Sweelinck. De instrumenten die in de psalm worden genoemd verbeeld in de muziek. De wijze waarop dit gebeurt, is een voorbeeld voor de genialiteit van de muzikale verbeelding van de woorden.